Beoordeling:
- (0 stem(men))
U kunt alleen stemmen als u ingelogd bent
Uw winkelmandje is leeg

Vals alarm

Marelle Boersma

Prijs: € 14.95
320 pagina's, paperback
ISBN: 9789461090270

Over het boek

Wat als je ex op wraak uit is...

Een scheiding komt in de beste families voor. Maar wat doe je als je kind inzet wordt van een wraakactie van de vader?                        

Janna probeert haar veeleisende baan zo goed mogelijk te combineren met de zorg voor haar dochter Fleur en haar echtgenoot Roderick. In die volgorde. Als Roderick bij een jongere vriendin intrekt, blijkt hij zijn vertrek zorgvuldig te hebben voorbereid. Janna blijft berooid achter. Ze onderneemt een laatste poging om de schade te beperken, maar haalt zich hiermee de woede van haar ex op de hals. Te laat beseft ze dat Roderick haar harder kan raken dan ze ooit had gedacht. Als hij ervoor zorgt dat Fleur gedwongen uithuisgeplaatst wordt, knapt er iets in haar…

Auteur Marelle Boersma
Uitgever VERBUM CRIME
Leverbaarheid leverbaar
Genre Literaire Thriller
Taal Nederlands

Over de auteur Marelle Boersma

Marelle Boersma is werkzaam aan de Universiteit van Wageningen, waar ze onderzoek doet naar de schadelijke of juist gezondheidsbevorderende werking van stoffen in voeding. Daarnaast schrijft ze thrillers.

Vandaag
Mijn lichaam schuift langzaam naar beneden, terwijl elk beeld in
mijn hoofd vervaagt. Vochtig zand schuurt langs mijn wang, en
een nat blad blijft plakken aan mijn mond. Ik spuug. Als ik me
probeer op te duwen, blijken mijn benen te zwaar te zijn en niet
gemaakt om mijn gewicht te dragen.
Ik sla om me heen tegen alles wat ik naast me voel. Hard en totaal
ongecontroleerd. Alles doet zeer, maar ik stop niet. Ik wil beuken
op een lijf dat ik ooit liefhad. Hij is slecht, zo in en in slecht.
Het ergste is dat ik hem nooit heb doorzien. Kapot moet hij. Dood,
wat mij betreft. Wat maakt het uit als deze man er niet meer is. Er
is niets aan hem verloren. Hij moet van mijn liefste bezit afblijven.
‘Nooit, nee nooit zal jij haar krijgen. Ik vermoord je! Hoor je me?
Je bent niet veilig meer.’ Ik gil het uit, maar kan mijn eigen stem
nauwelijks onderscheiden.
Hoor ik nu een deur opengaan? Ik probeer mijn hoofd op te tillen,
maar mijn hersens tollen in het rond. Ik graai om me heen en voel
dat er iets scherps in de palm van mijn hand gedreven wordt. Waanzin
neemt het over. De pijn schreeuw ik naar buiten. Ik grijp de pin
en trek hem uit mijn hand. Het is een openbaring dat mijn lichamelijke
pijn zomaar te dragen valt en in niets vergelijkbaar is met de
kramp die op een lege plek in mijn borst zit. Ooit zat daar een gevoel
dat diep bonzend verlangen op kon wekken. Nu is er niets.
Met de pin in mijn hand sla ik opnieuw om me heen. Ik raak
verward in de struiken die langs de vochtige stenen van het grachtenpand
omhoog klimmen. De stengels houden me tegen en beperken
mijn bewegingen.
‘Laat me los,’ roep ik, terwijl ik me steeds machtelozer voel tegenover alles wat met Roderick te maken heeft. Ik probeer me te
bevrijden, maar mijn spieren gehoorzamen niet. Al kronkelend
langs de muur houd ik angstvallig de afgrond van de gracht in de
gaten. Daarbeneden is het koud, vies en vooral donker. De opstijgende
geur van mos en rottende bladeren belooft geen welkome
opvang. Als ik mijn ogen sluit begint alles om me heen te draaien.
Donkere sluiers wentelen mee en bedekken bekende contouren.
Er lijkt zelfs een bekende stem te klinken. Donkere ogen die me
aankijken.
‘Roderick?’
‘Ga weg. Maak dat je wegkomt.’ Een fluistering vanuit de diepte.
Weggaan? Nooit. Mijn ogen trachten weer beelden op te vangen.
Die smeerlap staat vast minachtend op me neer te kijken. Ik ken
die blik. Altijd als ik beurs geslagen op de grond lag, bleef hij staan
kijken. De vuilak!
Mijn hand schiet los uit de beklemmende greep van de klimop.
De scherpe pin duw ik met kracht naar voren. Iets zachts vangt
hem op. Nog een keer. Keer op keer steek ik toe.
‘Je hebt het verdiend.’
Is dat hese gefluister mijn stem? De woede zakt weg, tot ik me
niet meer voor kan stellen dat de hitte me zo heeft beïnvloed. De
neiging om hem nog vaker te steken is op slag verdwenen. Ik sla
mijn handen voor mijn gezicht in een poging me te verbergen voor
zijn ogen. Hij hoeft niet te zien dat ik huil.
Het is opeens stil. Er is helemaal niemand om me heen, alleen
die irritante nevels blijven hangen. Ik probeer ze weg te slaan, maar
ze zijn taai en hardnekkig. Was het echt Roderick of slechts een
spookbeeld? Het maakt me allemaal niet meer uit. Ik ben moe van
het vechten tegen al het onrecht dat me is aangedaan. Niemand wil
luisteren. Niemand helpt me. Het is alsof de hele wereld tegen me
is, met Roderick als boze aanvoerder. Het gevecht is nu geleverd, en
ik mag eindelijk uitrusten en de vermoeidheid toelaten.
Mijn hoofd legt zich neer op de kussens van mijn armen. Eindelijk rust. Ik zak weg op de zachtheid die mijn eigen lichaam me
biedt.
Slechts vaag registreer ik dat iemand me onder mijn oksels pakt,
me overeind trekt en me vervolgens meesleept. Er komt geen enkele
reactie op mijn ‘laat me los’. Mijn voeten kunnen geen houvast
vinden. Steeds die harde grond die onder me door blijft bewegen.
Eindelijk mag ik weer liggen. Waar ben ik? Het maakt me eigenlijk
niet uit. Ik wil alleen maar slapen. Met rust gelaten worden. Te
moe.
Dan zijn er handen die aan mijn kleding trekken.
‘Laat me. Wat wil je?’
Het antwoord komt in de vorm van grijpende vingers op plekken
die van mij alleen zijn. Ze zijn als lastige insecten in de zomer.
Wegslaan helpt niet, ze blijven terugkeren. Ik sluit mijn ogen en
verdwijn. Dezelfde stilte die ik in de afgelopen maanden zo vervloekt
heb, vangt me nu op.

1 Later
Mijn ogen weigeren dienst. Het enige wat ik registreer is kou. Een
vochtige kou, die zich in mijn botten vastgezet heeft. Mijn vingers
zoeken om me heen. Mijn dekbed is echter spoorloos.
Als ik mijn hoofd op wil tillen, wordt die door duizenden spijkers
op de grond vastgepind in een staccato ritme dat me doet denken
aan de houseparty’s die ik vroeger met Ilse heb bezocht. Mijn
hoofd staat nu niet naar feesten.
Het lukt me eindelijk om een van mijn ogen open te krijgen,
de wimpers van mijn andere oog zijn hardnekkiger. Wat is er gebeurd?
Het vroege ochtendlicht is schel, ondanks de dikke bewolking
die ik boven me zie hangen. Wolken? Waar ben ik?
Een eerste blik naar mijn omgeving geeft de harde werkelijkheid
weer: ik lig in een soort park dat ik niet direct herken. Het gras om
me heen is bedekt met een deken van druppels, waarin het licht
zacht glinstert. Een struik belemmert verder zicht, zodat ik mezelf
omhoog moet tillen. De pijn ontwaakt samen met mij. Mijn
lichaam huilt. Er zitten rauwe schaafplekken op mijn benen. Vol
vuil. Tussen mijn benen voel ik een schrijnende pijn. De droge resten
van wat eens een tong was, beginnen nu een smaak af te geven
die ik in de afgelopen maanden al te vaak heb geproefd.
Ik kruip in elkaar om de kou en pijn minder ruimte te geven en
trek de restanten van mijn kleding over mijn lichaam. Tussen de
takken door zie ik de gracht die er net zo vies bruin uitziet als ik
me voel. Ik wil niet denken aan de dingen die gebeurd zijn, hoewel
de herinneringen onherroepelijk terugkomen. Zijn handen.
De kracht waar ik niet tegenop kon. Mijn onmacht om hem tegen
te houden. De stilte die me hielp. Nu schreeuwt alles in mij. Pijn, vuil en herinneringen die ik niet wil toelaten. Mannen zijn beesten.
Dan zie ik mijn handen; bedekt met bruine korsten. Is dat bloed?
Ook de mouwen van mijn blouse zijn bedekt met grote rode vlekken.
Ik zie een wond in de palm van mijn hand die weer begint te
bloeden nu ik hem beweeg. Heb ik zo veel bloed verloren?
Behoedzaam, om de stekende messen in mijn lichaam zo min
mogelijk kans te geven, ga ik staan. De wereld laat ik tot stilstand
komen door me langdurig vast te grijpen aan de stam van een nabije
boom. Als dat gelukt is, merk ik dat ik nog slechts een van mijn
schoenen aanheb. In de struik die mij de afgelopen uren gezelschap
heeft gehouden hangt een vochtig vod. Mijn jas.
‘Rustig bewegen,’ fluister ik mezelf toe, terwijl in mijn lichaam
alle protestacties worden gevoerd die het maar kan bedenken.
Als ik mijn jas aanheb richt ik me op. Waar is mijn andere rode
pump? Als ik de bosjes in de omgeving heb nagezocht en niets heb
gevonden, kan ik het niet meer interessant vinden. Een schoen
minder in mijn leven, ik heb al zoveel verloren. Ik moet naar huis.
Douchen en huilen, hoewel ik niet weet of dat laatste gaat lukken.
Rechtop en met de wie-doet-mij-iets blik strak op mijn gezicht geplakt,
loop ik naar de weg langs het park. Ik heb het zo koud dat ik
het rillen van mijn lichaam nauwelijks kan onderdrukken.
Onderweg naar mijn flatje kom ik slechts een paar mensen tegen.
Hun afkeurende blik beantwoord ik met een hautain knikje.
Zak toch in de stront, denk ik er steeds bij, terwijl ik de ongelijke
tred van mijn blote en mijn beschoende voet probeer te verbergen.
Eindelijk ben ik bij de ingang van mijn flat. Zelfs de prikkelende
urinelucht verwelkom ik met een immense opluchting. Ik ben bijna
thuis. Dan kan ik de deur achter me dichtdoen en me afsluiten
van alles wat mij zo intens kwetst. Waarom ziet niemand dat me
onrecht wordt aangedaan?
Ik werp een blik onder de trap en zie opgelucht dat de portier niet
aanwezig is. Als ik op de lift sta te wachten, zakken mijn schouders
naar beneden, terwijl ik ertussen kruip en de ellende toelaat. De
hooghartigheid is niet meer nodig. Ik ben er bijna. Rillend hup ik van de ene op de andere voet. De kou die mijn blote voet zowat
gevoelloos heeft gemaakt is zelfs in de hal van mijn flat aanwezig.
Waar blijft de lift? Welke idioot houdt op dit vroege tijdstip de lift
bezet?
Dan zie ik het licht van de liftruimte door de spleet van de deur
schijnen. Ik doe een stap naar voren. Bijna thuis. Terwijl de liftdeuren
schokkerig openschuiven zie ik iemand staan. In een reflex stap
ik achteruit. Het helpt echter niets. De bruine ogen nemen me in
detail op en glijden vanaf mijn gezicht naar beneden. Ze tasten elke
centimeter van mijn vervuilde lijf af.
Mijn ogen vluchten naar de grond.
‘Dag schone Janna.’ Dan loopt hij langs me heen, met jaloersmakend
stevige passen, naar zijn eigen ruimte onder de trap.
Ik schiet de lift in en wacht trillend tot de deuren zich zullen sluiten.

  Een boek om boos te worden!

Geschreven door Wim Krings op 5 december 2011

Vals alarm is het nieuwe boek van Marelle Boersma. Deze keer is de thematiek rondom wraak en mishandeling. Janna is getrouwd met Roderick, een advocaat, en ze hebben samen een dochter: Fleur. Ondanks dat Janna een hele drukke baan heeft denkt ze dat ze alles goed voor elkaar heeft. Maar schijn bedriegt. Haar man laat haar zitten voor een jonger exemplaar en Janna verliest werkelijk alles. Haar leven staat op de helling en ze dreigt ook de omgang met haar dochter te verliezen want haar slimme ex-man heeft alles met voorbedachte rade gedaan. Janna verliest zichzelf en het wordt alleen maar erger: drank, verslapen, ruzie met de kinderbescherming etc. Pas laat komt ze tot het besef dat ze zich moet verweren tegen dit alles. Gelukkig krijgt ze hulp maar is het niet te laat?

Vals alarm zit goed in elkaar. Heden en verleden wisselen elkaar goed af zodat je een goed beeld krijgt van wat er gebeurd is. Janna is weliswaar naïef maar je hoopt zo dat ze het toch voor elkaar krijgt om  deze strijd te winnen maar Marelle Boersma heeft de spanning goed opgebouwd. Boosheid kwam in mij op toen ik het boek las. Dit is een fictief verhaal maar hoevaak gaat het niet echt mis in Nederland. Fouten die er worden gemaakt bij de kinderbescherming door niet goed te luisteren en te kijken. Het verhaal heeft een realistische achtergrond. Prima boek maar je kan er wel echt boos om worden. Denk daar ook aan tijdens het lezen!

Als u ingelogd was zou u hier een eigen recensie kunnen toevoegen.