Inspecteur Erlendur Sveinsson bezoekt in de Oostfjorden zijn ouderlijk huis, dat sinds jaren leeg staat. Hij wordt er opnieuw herinnerd aan de verdwijning van zijn broertje, waar hij zich persoonlijk verantwoordelijk voor voelt. Maar niet alleen gebeurtenissen uit zijn eigen leven, ook andere onopgeloste zaken komen bovendrijven. Zo raakte jaren geleden tijdens een storm in de bergen een groep Britse soldaten spoorloos. In dezelfde nacht verdween ook een jonge vrouw, die nooit meer werd teruggevonden. Erlendur dwingt zich tot een confrontatie met het verleden.
Inspecteur Erlendur was in de laatste boeken met vakantie. Inmiddels is hij terug in zijn ouderlijk huis in de Oostfjorden, en wordt er steeds opnieuw herinnerd aan de verdwijning van zijn broer, waar hij zich persoonlijk verantwoordelijk voor voelt. Maar niet alleen gebeurtenissen uit zijn eigen leven, ook andere, onopgeloste zaken komen bovendrijven. Zo raakte jaren geleden tijdens een storm in de bergen een groep Britse soldaten spoorloos. In dezelfde nacht verdween er ook een jonge vrouw, die nooit meer werd teruggevonden. Erlendurs blik is voortdurend op het verleden gericht, hoe pijnlijk de confrontatie ook is.
| Originele titel | Furðustrandir |
| Auteur | Arnaldur Indriðason |
| Uitgever | Querido |
| Leverbaarheid | leverbaar |
| Genre | Literaire Thriller |
| Taal | Nederlands |
| Vertaling | Vertaald uit het IJslands door Adriaan Faber |
*** Hoofdstuk 1 ***
Koud heeft hij het niet meer. Integendeel, er trekt een wonderlijk gevoel van hitte door zijn lijf. Hij dacht dat hij helemaal geen warmte meer in zijn lichaam had, en nu is het opeens alsof die door zijn handen en voeten naar buiten stroomt. Zijn gezicht is plotseling heet geworden.
Hij ligt languit in het donker. Zijn gedachten gaan alle kanten op, zonder enige orde. Het enige wat hij nog kan onderscheiden is het verschil tussen slapen en waken. Het kost hem grote moeite zich te concentreren en te be¬seffen in wat voor toestand hij verkeert. Zijn bewustzijn lijkt te komen en te gaan. Hij voelt zich niet naar, een behaaglijk gevoel van slaperigheid heeft zich van hem meester gemaakt. Hij wordt overvallen door dromen en visi-oenen, hoort gezang en ziet plaatsen die tegelijk bekend en uitheems zijn. Zijn geest speelt een wonderlijk spel met hem en ranselt hem steeds maar weer door het verleden en het heden, dwars door tijd en ruimte. Hij heeft weinig controle over die reis van zijn geest. Het ene moment zit hij in het ziekenhuis bij zijn moeder, op de rand van het bed waarin ze ligt te sterven. Het andere ogenblik is de donkere winter ingevallen en heeft hij het gevoel dat hij nog op de vloer ligt van de verlaten boerenwoning die eens zijn huis was. Wel realiseert hij zich dat het een soort zinsbegoocheling moet zijn.
‘Waarom lig je hier?’
Hij drukt zich op zijn elleboog omhoog en ziet iemand in de deurope¬ning staan.
Een reiziger heeft hem weten te vinden. Hij begrijpt de vraag niet.
‘Waarom lig je hier?’ vraagt de reiziger opnieuw.
Hij kan de man niet in het gezicht kijken, heeft hem ook niet horen bin¬nenkomen, hij ziet alleen zijn omtrekken voor zich, hoort hem die niet te verdragen vraag herhalen, keer op keer.
‘Waarom lig je hier?’
‘Ik woon hier. Wie ben jíj?’
‘Ik zou hier vannacht graag blijven logeren als het mag.’
De man zit naast hem op de vloer en heeft een vuurtje gemaakt. Hij voelt de warmte langs zijn gezicht stromen en steekt zijn handen uit naar de vlammen. Maar één keer in zijn leven heeft hij het zó koud gehad.
‘Wie ben jij?’ vraagt hij voor de tweede keer.
‘Ik ben gekomen om naar je te luisteren.’
‘Luisteren? Naar mij? Wie heb je daar bij je?’
Hij merkt dat ze niet de enigen zijn in het huis. Er is iemand met de man meegekomen, maar die blijft onzichtbaar voor hem.
‘Wie heb je daar bij je?’ vraagt hij weer.
‘Niemand,’ zegt de reiziger. ‘Ik ben alleen op pad. Woon je hier?’
‘Ben jij Jakob?’
‘Nee, ik ben Jakob niet. Het is een wonder dat die muren nog overeind staan, maar het is wel te vertrouwen, zie ik.’
‘Wie ben je? Ben je Bóas?’
‘Ik moest hier in de buurt zijn.’
‘Ben je hier eerder geweest?’
‘Ja.’
‘Wanneer?’
‘Heel lang geleden. Toen er in dit huis nog mensen woonden. Wat is er met ze gebeurd? Hoe is het verder met ze gegaan, weet je dat?’
Hij ligt languit in het donker en kan zich niet meer bewegen omdat het zo koud is. Hij is weer alleen, het vuurtje is weg en ook de verlaten boerderij is verdwenen. Het donker en de kou omsluiten hem en de warmte begint uit zijn voeten en handen en gezicht weg te trekken.
Ergens hoort hij een schrapend geluid.
Het komt dichterbij uit de diepe, koude verte, het wordt hoe langer hoe sterker en algauw klinken er snijdende angstkreten in door.
***